Ga direct naar de inhoud

Arbeidsongeschiktheid: broodfonds of aov?

Wanneer u ziek wordt, biedt een arbeidsongeschiktheidsverzekering (aov) inkomenszekerheid. Maar daar hangt wel een prijskaartje aan. De afgelopen jaren wint een alternatief aan populariteit: het broodfonds. Een sympathiek idee, maar is het een volwaardig alternatief voor een aov? Mark van de Graaf, Salesmanager bij Movir, vergelijkt beide manieren om het arbeidsongeschiktheidsrisico af te dekken.

Waarom hebben veel ondernemers geen aov?

‘U bent als ondernemer niet wettelijk verplicht om u te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid. Maar als u zich niet verzekert, loopt u een fors risico. Niet alleen kunt u persoonlijk grote financiële schade lijden door arbeidsongeschiktheid, ook de continuïteit van uw bedrijf kan in gevaar komen. Toch hebben veel ondernemers geen aov. Ze geven daarvoor onder andere de volgende redenen:

  • Aov’s zijn duur
  • Niet nodig, voldoende buffer
  • De advieskosten zijn hoog
  • Verzekeraars keren niet altijd uit.

 

Hoe werkt een aov?

De werking van een aov is helemaal afhankelijk van de gekozen verzekering. De dekking verschilt van een basisdekking tot een complete oplossing. Bij een complete aov kunt u de verzekering doorgaans afsluiten tot 68 jaar. In sommige gevallen is dit door de aard van uw werkzaamheden niet mogelijk*. U mag meestal maximaal 80% van uw gemiddelde inkomen in de afgelopen drie jaar verzekeren.

*Bijvoorbeeld wanneer u zware lichamelijke arbeid verricht, zoals het plaatsen van terazzo-vloeren.

 

Hoe werkt een broodfonds?

De 20 tot 50 leden van een broodfonds storten maandelijks een bedrag op hun persoonlijke broodfondsrekening tot er een maximumbedrag is opgebouwd (de maximale buffer). De hoogte van de maandelijkse inleg hangt af van de uitkering die de deelnemer denkt nodig te hebben bij ziekte. Hoe hoger de gewenste uitkering, hoe hoger de inleg. Als een deelnemer arbeidsongeschikt wordt, krijgt hij maximaal twee jaar maandelijks een uitkering. Stapt een deelnemer uit het fonds, dan kan hij de buffer (voor zover die niet is uitgekeerd) gewoon weer meenemen. Dat geld blijft van hem. Het controlemechanisme van een broodfonds is gebaseerd op solidariteit en vertrouwen van de leden.

 

Afweging van kosten en baten

De maandelijkse inleg voor een broodfonds is vaak kleiner dan voor een (complete) aov. Maar vormt een broodfonds daadwerkelijk een volwaardig alternatief voor een aov van een verzekeraar? Om dat vast te stellen is een bredere kosten-baten-analyse nodig:

  • Wie een aov afsluit, betaalt een vast bedrag aan advies- en bemiddelingskosten. Voor beheer wordt vaak een serviceabonnement afgesloten. Deelnemers in een broodfonds betalen eenmalig € 250,- voor het opstarten van het broodfonds en maandelijks € 10,- contributie.
  • Bij een aov betalen mensen met een medisch verleden of een risicovoller beroep een hogere premie. Ook als de verzekerde ouder wordt, stijgt de premie. Bij een broodfonds zijn de voorwaarden voor alle deelnemers hetzelfde.
  • In een broodfonds legt de ondernemer maximaal 36 maal de maandelijkse inleg in. Bij een aov stopt de maandelijkse premiebetaling alleen als de verzekerde arbeidsongeschikt wordt.
  • Een complete aov keert meestal uit tot een eindleeftijd van 8 jaar. Bij een broodfonds duurt de uitkering maximaal twee jaar.
  • De uitkering die een zieke bij een broodfonds krijgt, bedraagt maximaal € 2.500,- netto per maand. Wie een aov afsluit, kan een veel hogere dekking kiezen.
  • De premie-inleg voor een aov is fiscaal aftrekbaar, de advieskosten niet. De uitkering bij arbeidsongeschiktheid is belast. Bij een broodfonds is de inleg belast en juist de schenking bij ziekte (binnen de fiscale grenzen) onbelast.

Rekenvoorbeeld
Een IT-ondernemer van 27 heeft met een aov een jaarinkomen van 80.000 euro verzekerd en een eindleeftijd van 68 jaar afgesproken. Zijn eigenrisicoperiode is vastgesteld op 1 jaar, daarna krijgt hij in geval van blijvende arbeidsongeschiktheid jaarlijks 80.000 euro (bruto) uitgekeerd. 

In het geval dat deze ondernemer op 27-jarige leeftijd blijvend arbeidsongeschikt zou raken, ontvangt hij maximaal: 40 (jaar) x 80.000 euro (bruto) = € 3.200.000,-. Ter vergelijking: de maximale uitkering van een broodfonds is 24 (maanden) x 2.500 = € 60.000,-

 

AOV

€ 3.200.000,-
Broodfonds €      60.000,-
Tekort aan inkomen tot 68 jaar bij Broodfonds € 3.140.000,-

Geen volwaardig alternatief

Een broodfonds biedt weliswaar inkomenszekerheid voor maximaal 2 jaar, maar deze is niet te vergelijken met een complete aov bij een verzekeraar met een uitkering tot de eindleeftijd. Door de strenge financiële voorwaarden waar verzekeraars aan moeten voldoen, kunnen verzekeraars bovendien harde garanties geven op een uitkering. Broodfondsen kunnen minder harde garanties afgeven. Wel is er een vangnet vanuit de broodfondsalliantie: als een broodfonds tijdelijk niet genoeg in de pot heeft om zijn zieken een volledige schenking te doen, dan steunen de andere broodfondsen dat betreffende broodfonds vanuit de broodfondsalliantie.

 

De toekomst van het broodfonds

Sommige ondernemers vragen zich af of een broodfonds een volwaardig alternatief voor de aov is. Broodfondsleden zullen, na twee jaar ziekte, in principe zijn aangewezen op hun eigen buffer en anders de bijstand. Wie zich wil indekken tegen langdurige arbeidsongeschiktheid, doet er daarom verstandig aan een aov te nemen. Een goede aov biedt een uitkering zolang de arbeidsongeschiktheid duurt, tot uiterlijk 68 jaar. Wél kan een aov goed aansluiten op een broodfonds. Veel verzekeraars kennen immers de mogelijkheid van een eigenrisicoperiode van twee jaar.

Naast elkaar?

Om aan te sluiten bij het model van broodfondsen, bieden verzekeraars aov’s aan met een eigenrisicotermijn van twee jaar. Ook een aanvullende dekking bovenop een broodfonds is mogelijk met een aov die een korte uitkeringsduur heeft. Maatwerk is hierin mogelijk. Broodfondsen en aov’s bijten elkaar dus niet. Sterker nog: broodfondsen kunnen voor ondernemers de drempel slechten om zich te verzekeren tegen het arbeidsongeschiktheidsrisico. Zolang ze zich maar realiseren dat een broodfonds op de lange termijn het arbeidsongeschiktheidrisico niet dekt en dus een opvolging vraagt in de vorm van een aov.’

Mark van de Graaf

Salesmanager bij Movir

    Ook interessant